‘Ik maak me zorgen over haar knipvaardigheden,’ zegt de juf.

Ik trek een wenkbrauw op. Mijn dochter leest Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede. Ze klaagt over school – ze verveelt zich te pletter. De juf is net begonnen met de letter A.

‘Trek een lijn van 1 naar 15’, staat er op het rekenblad.

Alle kinderen in de klas verbinden de cijfers één voor één aan elkaar, zoals de methode bedoelt. In haar schrift zie ik dat zij het op haar manier doet. Hup, van 1 naar 15, zó klaar.

‘Ze is zó eigenwijs’

De juf vindt haar een lastpak. Haar klasgenootjes snappen haar niet. Ze verzamelt stenen en weet het verschil tussen graniet en gneis. Tekent sterrenbeelden – De Grote Beer en Cassiopeia. Maar haar schoolresultaten zijn bedroevend slecht.

Ik laat haar testen.

Ze blijkt hoogbegaafd. Veel mensen denken dat dat een modeverschijnsel is: ‘Iederéén is tegenwoordig hoogbegaafd.’

Maar is dat zo?

Het gemiddelde IQ is 90 tot 100 punten. 68 procent van de bevolking zit tussen 85 en 110 punten. Vanaf 130 of hoger spreek je van hoog-intelligent of hoogbegaafd. In elke klas zitten er 1 of 2. Geen Einsteins en Leonardo’s, maar kinderen uit jouw straat. Kinderen die niet in het schoolsysteem passen.

Hoezo past het niet?

Een hoogbegaafd kind is als een Ferrari op de provinciale weg. Het kan veel harder dan het mag. Alleen heeft zo’n kind geen idee hoe het moet rijden. Daar heeft het hulp bij nodig.

Veel hoogbegaafde kinderen weten niet hoe ze moeten leren. Als je het antwoord op de basisschool altijd ziét, weet je op de middelbare (of de universiteit) niet hoe je een som moet aanpakken. Als je nooit hebt geleerd om ergens je best voor te doen, geef je op bij tegenwind.

Maar hoogbegaafden kunnen toch juist zo goed leren?

Dat zou je denken, hè. Maar juist deze groep loopt nog wel eens vast. Ze hebben uitdaging nodig. Moeilijkere opgaven, bijvoorbeeld. Maar die kunnen ze niet maken zonder begeleiding. Soms zitten er vastgeroeste overtuigingen in de weg. Of weten ze niet hoe. Met kleine stapjes en aanmoediging werk je aan succeservaringen.

Deze kinderen zitten gevangen in het lichaam van een kleuter, of een puber, maar ze zijn cognitief veel ouder. Ze vallen meteen door de mand als ze zich willen aanpassen aan de leefwereld van hun leeftijdgenoten. Daar trapt niemand in. Wie anders is, zal dat weten ook.

De meeste buitenbeentjes vinden hun plek wel in het leven – maar soms is het even zoeken. Het zijn vaak de mensen op de schoolreünie die het leukst zijn opgedroogd.

En je dochter?

Op school werkte gelukkig ook een juf die wél zag wat ze nodig had. Mijn dochter kreeg voorinstructie: les in een klein groepje. Ze kreeg uitdagendere opdrachten, maar óók uitleg over hoe ze die moest aanpakken.

‘Oh, maar dát kan ik wel. Is dát alles?’

Ze gaat met sprongen vooruit. Dit jaar doet ze eindexamen.

Ook Julia, het kleine meisje in Rifugio Monte di Neve, is hoogbegaafd. Eigenwijs, anders dan haar leeftijdsgenoten en een tikkie vreemd. Ze is de dochter van de norse huteigenaar. Maar wat is er gebeurd met haar moeder? Lees in Monte di Neve hoe dit meisje haar eigen kracht ontdekt.