𝟏𝟗𝟕𝟖, 𝐒𝐮𝐥𝐝𝐞𝐧𝐟𝐞𝐫𝐧𝐞𝐫
‘Is het nog ver?’
‘Nee schat, we zijn er bijna.’

We lopen over de gletsjer naar de 𝘊𝘢𝘴𝘢𝘵𝘪 𝘩𝘶𝘵 in de Ortler Alpen.

Mijn wollen sokken kriebelen en ik vertrouw dat ijs voor geen meter. De touwtjes van mijn geknutselde klimgordel snijden in mijn benen.

Dan staan we voor een grote gletsjerspleet.
‘Zet je voet maar op dat uitstekende stukje, dan is de stap kleiner.’

Ik kijk over het randje naar beneden. Lichtblauw ijs kronkelt honderden meters naar beneden. Voorzichtig stap ik naar voren.

Het stuk ijs breekt af.
Ik verdwijn in de diepte en de gletsjer vreet me op. Denk ik.

Gelukkig let mijn grote broer goed op. Je weegt als zesjarige niet veel en ik zit aan een touw. Tien tellen later sta ik weer op bovenop het ijs. Geschrokken kloppen mijn ouders de sneeuw van mijn knickerbocker en hup weer verder.

Bergen beklimmen gaat anders in de jaren 70 en 80.

Er zijn geen regels en bewijzen, je moet het allemaal zelf uitvinden – als je geluk hebt, overleef je het. Je houdt er mooie verhalen aan over. Als je ze kunt navertellen.

Hele gezinnen sjouwen op teenslippers of rubberlaarzen over het ijs.
Steken op hun dooie akkertje een geul over waar de rotsblokken elke twee minuten naar beneden denderen. Rijden in hun knalgele 𝘍𝘪𝘢𝘵 𝘙𝘪𝘵𝘮𝘰 zonder gordel alle bochten van het 𝘚𝘵𝘪𝘭𝘧𝘴𝘦𝘳𝘫𝘰𝘤𝘩 omhoog. Met een kruik bergjenever op – dat doen veel bergbewoners overigens nog steeds.

Vandaag zijn er meer regels en diploma’s – en gelukkig maar. Van toprope tot multi-pitch en alles ertussenin. Je kan een hoop doen op zo’n berg.

Geef mij maar een berghut. Met een bankje. Vanaf daar kun je de bergen héél goed zien.

Bergvrienden

‘Maar jij bent toch helemaal geen klimmer?’

Zegt vriend J. op een feestje met veel bergbeklimmers. We hebben het over mijn bergenboek.
J. en ik kennen elkaar 30 jaar, van de Utrechtse Studenten Alpen Club.
Hij is fanatiek klimmer en alpinist, ik ben meer van de catering en het gezelschap.

Ik herinner me een tochtje in de bergen.

We gaan met een groep USAC’ers de 𝘈𝘪𝘨𝘶𝘪𝘭𝘭𝘦 𝘥𝘦 𝘭𝘢 𝘛𝘴𝘢 op. Een echte berg in Zwitserland van 3.668 meter hoog. Als je door je oogharen kijkt, is het net de Matterhorn.

De aanlooproute is 16 km lang én 1600 hoogtemeters omhoog vanaf de camping in Arolla. Zeg maar van Utrecht naar Soest en dan 16 keer de Domtoren op met een zware rugzak op je rug.

Eindelijk, éindelijk zijn we boven.

Dan zegt J. tegen mij en het andere kneusje in de groep: ‘We gaan nog even sneeuwremoefeningen doen. Anders mogen jullie morgen niet mee naar de top.’

‘O.’

En zo komt het dat we rap naar beneden glijden, zodat we leren hoe je moet omdraaien en de punten van je stijgijzers in de sneeuw moet steken. En nog een keer. Leuk, op zijn kop – bedenkt J.

Ik kan wel huilen. Het hele takke-eind weer terug. Maar nu is de hut niet ver meer.

Een loeistijl sneeuwveld over en dan alleen nog recht omhoog. De 𝘊𝘢𝘣𝘢𝘯𝘦 𝘥𝘦 𝘉𝘦𝘳𝘵𝘰𝘭 hangt met kabels aan de rots en je kunt de hut alleen bereiken via een stalen touwladder boven het ravijn. Met stijgijzers onder je schoenen.

In de hut maakt één van de andere klimmers ruzie met de hüttenwirt. Die dreigt ons weer terug te sturen als we geen eten kopen. Ik bestel direct het duurste gerecht dat ie heeft.

De Aiguille de la Tsa was geweldig. Het uitzicht prachtig, daar doe je het voor.
Maar nee, een diehard bergbeklimmer ben ik niet.

In de bergen ontmoet je wél je beste vrienden. En daar schrijf ik met liefde over.

Ping

Ping!
Ik krijg een appje.
‘Je wordt omgeroepen op het station!’

Mijn hart staat stil.

Ik ben op weg om mijn moeder op te halen. We zien elkaar elke woensdag om 10 uur 25, bij de bus op perron C.

Ik kan haar niet bellen. Haar mobiele telefoon vindt ze eng. Hij ligt op haar keukenplank, nog in het doosje. Stel je voor dat hij afgaat.

Ik spreek iedereen aan. Niemand heeft haar gezien. Ik ga naar de informatiebalie. ‘Je moeder is weer naar huis,’ zeggen ze.

Ik spring in de bus – 40 minuten later sta ik naast haar. Ze zit aan tafel met haar jas aan. ‘Hee kind, wat leuk dat je er bent!’

Ze krijgt hulp aan huis. Maar onder zachte dwang. Die mensen van de Thuiszorg leggen de theedoeken verkeerd terug. Ze weet de gaten in haar geheugen lang te verhullen. ‘Doe je de groeten aan… je man?,’ zegt ze.

Maar inmiddels vergeet ze ook te eten. Ze ligt om één uur ’s middags nog in bed. Ze draagt drie weken hetzelfde rode truitje. Als we in één week twee keer worden gebeld omdat ze de weg naar huis kwijt is, gaat het niet langer.

‘Mam, ik denk dat het niet meer kan zo, thuis’
Ze kijkt me aan. ‘Het moet maar,’ zegt ze.

Het valt niet mee om een goede plek te vinden. Wachtlijsten. ‘Niet urgent genoeg,’ zegt de case manager. Hoezo, niet urgent genoeg? Moet ze eerst haar heup breken? ‘Dat zou wel helpen,’ zegt de huisarts cynisch.

‘Ik ben altijd alleen. Ik zie nooit iemand’

Mijn moeder vergeet dat haar zoons net zijn geweest. Dat de lieve mevrouw van de Thuiszorg drie keer per dag komt. Het is niet genoeg. Ze heeft geen besef meer van tijd.

Op maandagochtend gaat mijn telefoon. Er is plek. Ik laat alles vallen en bel mijn broers. We organiseren een bliksemverhuizing. De taxi brengt haar ’s ochtends naar de dagbesteding en aan het eind van de dag stapt ze haar nieuwe kamer in. Hij ziet er net zo uit als haar oude woonkamer.

‘Hee, dit is mijn tafel!’ zegt ze. Ze strijkt met haar handen over het vertrouwde oppervlak. Dapper glimlacht ze tegen me bij het weggaan. Het voelt alsof ik haar achterlaat in een donker bos.

‘Het duurt twee weken,’ zegt de directrice van het zorglandgoed, ‘dan is ze gewend.’

Ze krijgt gelijk.

In de maanden die volgen, verandert mijn moeder. Ze eet er tien kilo bij. Ze krijgt een hartsvriendin, de buurvrouw. Hand in hand lopen ze door de huiskamer. Ze geven elkaar een kusje voor ze gaan slapen.

Ze komt weer tevoorschijn. Weg is de achterdocht. Er is weer ruimte voor haar zachte kant. Nu ze zich niet langer beter hoeft voor te doen, geeft ze zich over aan een leger van lieve verzorgers.

Ik krijg foto’s: ze is aan het sjoelen. Een jonge meid lakt haar nagels. Ze eet appeltaart met slagroom. Op woensdag loop ik de huiskamer in. Mijn moeder zit aan de koffie met de andere bewoners.

‘Goedemorgen,’ zegt ze beleefd, ze heeft me nog niet herkend.
‘Hoi mam’, zeg ik, en ik geef haar een dikke kus.
Ze begint te stralen. ‘O kind, wat heerlijk dat je er bent!’

Designertas

‘Heb jij nou een designertas voor ma gekocht?’

Zegt mijn broer, met de bon in zijn handen. Hij doet de financiën van mijn moeder.
‘Ja, haar oude is stuk.’

Mijn moeder is zuinig. Ze groeit op tijdens en na de oorlog. Ze koopt nooit iets voor zichzelf. Onze kleren komen van de kledingbeurs in de Heilige Geestkerk in Overvecht-Noord. Dus zie ik mijn eigen te kleine anorak of patchworktuinbroek ineens bij het buurmeisje. Of haar zus. Elk kledingstuk vindt zo een tweede, derde of vierde leven. Vinted voordat het hip werd.

Het is 2019. Mijn moeder heeft altijd haar bordeauxrode tas bij zich. De handtas met een handig groot vak, de ronde druksluiting en het fijne binnenzakje voor haar sleutels. In die tas zit steevast haar portemonnee met alle noodnummers, haar zwarte overzetbril, blindegeleidestok en een siggflesje met witte wijn voor als de busreis langer duurt dan gepland.

Ze heeft maculadegeneratie, waardoor ze altijd door een rietje kijkt. Gek genoeg ziet ze het wél als ik een nieuw vestje draag of mijn haar heb geverfd. Ook haar geheugen laat haar in de steek.

Die tas – gekocht op de markt voor twee tientjes – krijgt rafels. Het handvat laat los. De rits gaat stuk.
‘Dan koop je toch gewoon een andere tas?’ zegt mijn broer praktisch.
Nee, dat kan niet.

Mijn moeder is vergroeid met die tas. Voor haar is die tas wat haarlak is voor Hans Klok. Haar hele leven zit erin. En dan kom ik precies dezelfde tas tegen. In de Bijenkorf. Tien keer zo duur, maar identiek.

Ik koop hem meteen en wissel de tassen om. Ze merkt het niet.

2025. Ik loop tijdens mijn schrijfweek door de winkelstraat van Rijssen.

Ineens zie ik ‘m in de etalage. Een jonge meid komt ermee naar buiten. De tas van mijn moeder.
Ik glimlach. Ze had wel smaak.