
Italië 1990, ik ben 18 jaar.
Een nieuwe lap stof op de knieën van mijn spijkerbroek – met dank aan mijn moeder. Zwarte All Stars. Mijn haar in de permanente krul en Sprayblond – net als Madonna in Express Yourself – op zoek naar mezelf (en een nieuwe kapper, want daar kan dat haar dus niet tegen).
Tien jaar lang kwam ik hier elke zomer. Heimelijk verliefd op de zoon van de huttenbaas, een bruutaantrekkelijke Italiaanse adonis waar ik alleen vanaf een afstandje naar durfde te kijken. Elk jaar verheugde ik me op het weerzien van de mooiste berghuttenjongen van de Gran Paradiso. Daarvoor nam ik die ellendige 922 hoogtemeters graag voor lief.
In al die jaren heb ik alleen ‘ciao’ tegen hem gezegd.
Berghutten zijn magische plekken. Aan het eind van de wereld vind je ineens een kroeg waar het warm en gezellig is. Waar je kunt eten en slapen, met het mooiste uitzicht dat je je kunt wensen.
Het leek me de beste setting voor mijn boek Monte di Neve. Een verhaal over volwassen worden, over het semi-anarchistische Alpinisme in de jaren 90, de rauwe schoonheid van de bergen, koud water en smerige wc’s.
Misschien moet ik nog eens terug.