‘Koppig. Zéér koppig’, zegt de arts van het consultatiebureau.

Mijn dochter moet een oogtestje doen. Ze houdt stijf haar mond dicht. Aandringen, dreigen, omkopen: niks helpt. Ze vertikt het om de plaatjes aan de muur te benoemen.

Op de vervolgafspraak mankeert er niks aan haar ogen.
‘Waarom zag je het deze keer wel?’, vraag ik haar.
‘Deze mevrouw vond ik wél aardig’, antwoordt ze.

Op de kinderopvang mag ze helpen op de babygroep. Liefdevol geeft ze de baby’s de fles. Ze knuffelt en ze zingt liedjes. De juffen zijn dol op haar. ‘Een natuurtalent. Zij moet in de zorg’, zegt de groepsleider.

In groep 3 wil ze niet in de poppenhoek spelen, maar kingen met de kinderen uit groep 7. Of ze speelt alleen – ook prima.

Toetsen maakt ze met haar ogen dicht, zodat ze het klokje op het scherm niet ziet. Daar wordt ze zó bang van dat ze blokkeert. Sinds de juf dat weet, plakt ze er een post-it op.

Eten is een uitdaging. Ze leeft op Zaans volkoren met Nutella. Of Calvé pindakaas – alleen die, zonder stukjes.

‘Misschien moeten jullie haar laten testen?’ De juf kijkt ernstig. ‘Op iets in het autistisch spectrum?’

Ik kijk haar verbaasd aan. In niets lijkt ze op de autisten die ik ken, het kind dat schommelt, geen oogcontact maakt, getallen verzamelt. Sheldon uit The Big Bang Theory. Ze is juist heerlijk eigenwijs. Creatief. Grappig.

‘De meeste kinderen vinden mij een beetje eng,’ zegt de kinderpsychiater die de diagnose stelt. ‘Maar zij niet. ‘Gezellig hè?’, zei ze tegen me.’

‘Het eerste kwartier merk je niks aan haar. Maar ze heeft tóch Asperger.’
‘Huh? Maar ze is juist heel empathisch en zorgzaam’, zeg ik. ‘Eerder te veel dan te weinig.’

‘Asperger uit zich bij vrouwen anders,’ legt ze uit. ‘Haar sociale vaardigheden zijn beter. En slimme meisjes met autisme kunnen zich heel goed aanpassen.’

‘Tegen de tijd dat ze twintig is, heeft ze haar gebruiksaanwijzing wel gevonden’, zegt de psychiater. ‘Dan is het er nog steeds, maar merk je er niks meer van. Maar jij moet haar helpen om die vreselijke schooltijd door te komen.’

Mijn lieve Attila de Hun. Net ontstak ze nog in woede omdat ze een cornetto kreeg en geen raket. Woest zijn op mijn moeder… dat moet je durven.

Autisme.

Is dat label belangrijk? Helemaal niet. Het zit soms zelfs in de weg. Mensen vinden er wat van.

Maar een diagnose helpt wél om te snappen hoe je hoofd werkt.
En te weten wat je nodig hebt. Minder prikkels. Dat is niet altijd makkelijk, in een wereld die lawaai maakt.

Het heeft ook voordelen. Een scherp oog. Goudeerlijk. Afspraak is afspraak.

Vandaag had ik een streepjesshirt aan, één van de twintig bijna identieke in mijn kast.
‘Nieuw?’ zei ze.

Die koppigheid, die heeft ze nog steeds.
Ik ook, trouwens.



Anders zijn, is zo gek nog niet.