‘Heb jij nou een designertas voor ma gekocht?’
Zegt mijn broer, met de bon in zijn handen. Hij doet de financiën van mijn moeder.
‘Ja, haar oude is stuk.’
Mijn moeder is zuinig. Ze groeit op tijdens en na de oorlog. Ze koopt nooit iets voor zichzelf. Onze kleren komen van de kledingbeurs in de Heilige Geestkerk in Overvecht-Noord. Dus zie ik mijn eigen te kleine anorak of patchworktuinbroek ineens bij het buurmeisje. Of haar zus. Elk kledingstuk vindt zo een tweede, derde of vierde leven. Vinted voordat het hip werd.
Het is 2019. Mijn moeder heeft altijd haar bordeauxrode tas bij zich. De handtas met een handig groot vak, de ronde druksluiting en het fijne binnenzakje voor haar sleutels. In die tas zit steevast haar portemonnee met alle noodnummers, haar zwarte overzetbril, blindegeleidestok en een siggflesje met witte wijn voor als de busreis langer duurt dan gepland.
Ze heeft maculadegeneratie, waardoor ze altijd door een rietje kijkt. Gek genoeg ziet ze het wél als ik een nieuw vestje draag of mijn haar heb geverfd. Ook haar geheugen laat haar in de steek.
Die tas – gekocht op de markt voor twee tientjes – krijgt rafels. Het handvat laat los. De rits gaat stuk.
‘Dan koop je toch gewoon een andere tas?’ zegt mijn broer praktisch.
Nee, dat kan niet.
Mijn moeder is vergroeid met die tas. Voor haar is die tas wat haarlak is voor Hans Klok. Haar hele leven zit erin. En dan kom ik precies dezelfde tas tegen. In de Bijenkorf. Tien keer zo duur, maar identiek.
Ik koop hem meteen en wissel de tassen om. Ze merkt het niet.
2025. Ik loop tijdens mijn schrijfweek door de winkelstraat van Rijssen.
Ineens zie ik ‘m in de etalage. Een jonge meid komt ermee naar buiten. De tas van mijn moeder.
Ik glimlach. Ze had wel smaak.
Recente reacties