Voor Rifugio Monte di Neve zit een meisje met een tuinbroek en rubberlaarzen. Ze vlecht behendig een paar touwtjes in elkaar. Ik strompel op mijn blaren naar de ingang.

Ze kijkt op. ‘Wat een lelijke schoenen heb jij,’ zegt ze.

            ‘Hoe weet je dat ik uit Nederland kom?’ vraag ik verbaasd.

            Ze haalt haar schouders op. ‘Er zit een rood-wit-blauw vlaggetje op je rugzak.’ Ze buigt zich voorover om het adreslabel te lezen. ‘Jij bent Elsbeth de Vries uit Velp.’

            ‘Ik heb hem geleend. Ik heet Eva. Maar wat kun jij al goed lezen, hoe oud ben je?’

            ‘Acht,’ zegt ze stug. ‘Ik kan al lezen sinds ik vier was.’

            ‘Joh, dat is knap zeg!’

            Ze zwijgt en wikkelt het touwtje strak om haar vinger. Het topje van haar vinger begint blauw te worden. Snel probeer ik haar af te leiden.

            ‘Ik kom hier een paar maanden werken. Woon jij in de hut?’

            Ze kijkt me aan.

            ‘Eh, ik ben op zoek naar Mark Schutters,’ probeer ik opnieuw.

            ‘Dat is mijn vader.’

            ‘Weet je waar hij is?’

            ‘Nee.’

            Ze vlecht verder alsof ik er niet ben. Nou, dat schiet niet erg op, denk ik, en ik ga de hut in. Ik hang mijn kletsnatte jas aan de kapstok in de hal en ik sop naar het schoenenrek.

            Met stijve vingers pruts ik mijn schoenveters los en stroop de klamme sokken van mijn voeten. Mijn teennagel is blauw en op beide hielen zit een enorme blaar. Snel schiet ik een paar sloffen aan uit de mand naast het rek en hinkstap naar binnen.

            In de gastenruimte staan houten tafels, stoelen en hoekbanken met houtsnijwerk, voor de ramen rood-wit geblokte gordijntjes. Er passen zeker twintig mensen in. Ik zie planken aan de muur met klimgidsjes, tijdschriften en achtergelaten leesboeken. Naast de deur naar de keuken staat een toog en een enorme houtkachel van gietijzer.

            De hut ruikt naar hout en sterke verhalen. Aan de muur hangt een topografische kaart met alle toppen uit de wijde omgeving. Een oude foto van de hut toont een man in de deuropening, zijn arm om een knappe vrouw geslagen. Trots kijken ze in de lens. Renato e Cia Antonin, 1958 staat eronder.

Ik hoor gekletter van potten en pannen, buiten hakt een man hout. Zou dat Mark zijn? Ik loop terug naar de hal en pak mijn schoenen uit het rek. Er zitten geen veters meer in.